ROCAMADOUR

AOC Rocamadour
Cabecou voor de intimi
Het woeste landschap maakt een diepe indruk op ons. Logisch
dat mens, dier en plant op dit kalkplateau moeten vechten om te
overleven. De enige die hier moeiteloos gedijt is de
wintertruffel. We zijn in de Causses du Quercy aangeland, een
land waar vooral schapen en geiten zich thuis voelen. Hun leven
is hier al heel lang aan de mens verbonden.
In het departement Lot, ten zuiden van de Dordogne en grenzend
aan de Périgord Noir, bevindt zich de bakermat van de Europese
cultuur. Overal zijn overblijfselen van prehistorische tijden te
zien en te voelen. De Causses du Quercy is een kalkplateau van
8.000 km2, in vier Causses verdeeld: Martel, Limogne, Caylus en
Gramat. Laatstgenoemde is de grootste en de wildste. Hier ligt
het unieke stadje Rocamadour, een bedevaardsoord met kerken en
kloosters die letterlijk aan de steile rotsen zijn opgehangen.
Niet alleen in religieus, ook in gastronomisch opicht is de
plaatsnaam bekend. Dat komt omdat er een klein charmant kaasje
wordt gemaakt.
Voordat dit kaasje in 1996 een eigen AOC kreeg, sprak men vooral
over Cabecou, een naam die in de Occitaanse taal gewoonweg wil
zeggen “kleine geitenkaas”. In deze reportage zullen we zowel de
Rocamadour als de Cabecou bespreken, want de geografische
grenzen van de AOC Rocamadour zeggen in dit geval maar weinig.
Het is immers vooral de flora en de voorvaderlijke know how (de
terroir dus) die voor een produkt bepalend is.
De eerste geschriften die over de Cabecou van Rocamadour
handelen, stammen uit de15de eeuw. De boeren, die in grote
armoede leefden, hadden als enige rijkdom een dier dat melk en
vlees kon brengen. Kaasmaken was in deze barre streek ook de
enige mogelijkheid voor de kerkelijke en wereldse autoriteiten
om iets van de mensen af te nemen.

Van Cabecou tot Rocamadour
Lang voordat de AOC status verscheen, in het begin van de 20ste
eeuw, werd Cabecou met de melk van geiten, schapen en soms zelfs
koeien gemaakt, dit afhankelijk van de seizoenen. Het type flora
en de steile helling waren echter vooral toegankelijk voor
geiten. Vandaag is hun melk de enige component van de Cabecou.
Voor de AOC Rocamadour zijn twee rassen toegestaan: de Alpine en
de Saanen. Een andere voorwaarde is de voeding. Minimaal 80 %
van de foerage moet afkomstig zijn uit de aangeduide
geografische zone. Deze dekt het gehele departement Lot, een
gedeelte van Tarn-et-Garonne met als zuidoostelijk grensdorp
Caylus, verder de departementen Aveyron met Villeneuve als grens
en een gedeelte van Corrèze en Dordogne. Dit gigantisch
oppervlak doet ons al meteen vermoeden dat het niet om één maar
om meerdere types Rocamadour moet gaan. Een logisch gevolg is
dat tal van boeren een hekel aan de naam "Rocamadour" hebben,
een naam die kennelijk door Parijs is bedacht. Ze hebben er geen
affiniteit mee. Dus wensen ze die naam niet te gebruiken en
houden ze zich aan Cabecou.
Boeren of astronauten?
Ons eerste kaasbezoek is door de Noord-Franse topaffineur
Philippe Olivier gearrangeerd. Het betreft "Les Fermiers du
Rocamadour", een coöperatie die 25 producenten binnen de
appellation groepeert. Wanneer we door het indrukwekkende
landschap hebben gereden, bezorgt de aanblik van de boerderij,
in het buitengebied van Rocamadour, ons een kater. Het woord
"authenticiteit" slaat alleen op de kaas, niet op de
huisvesting. Het is een nieuw gebouw, half van hout, half van
plastic, omgeven door een megalomane parking met aangelegde
bloemperkjes. Binnen zien we mensen in astronautenpakken, iets
wat we de boeren niet kwalijk nemen, zij hebben de Europese
regeltjes niet bedacht. De boeren moeten hun kaas landelijk en
zelfs internationaal kunnen verkopen, de authenticiteit wordt
slechts gegarandeerd door het gebruik van rauwe melk. Later,
zodra we met de geiten in contact komen, zal onze stemming weer
iets veranderen. De bories, de typische ronde stenen
herdershuisjes die her en der in het landschap zijn
rondgestrooid, lijken vooralsnog echter héél ver weg. Of zouden
ze speciaal gebouwd zijn voor de Nikon's van de toeristen?
In de laboratoriumboerderij zien we kleine kaasjes van ongeveer
60 mm diameter, een dikte van 16 mm en met een gewicht van 35
gram. Hoe worden die gemaakt? De eerste avondmelk wordt geënt en
gedurende 12 uren op een temperatuur van 12°C gehouden. Na het
toevoegen van de ochtendmelk en het stremsel laat men de
melkplas gedurende 24 uur op 21°C rusten. De wrongel die daaruit
ontstaat, wordt in hangende zakken uitgelekt, iets wat
afhankelijk van boer en seizoen 24 tot 48 uur kan duren. Boer
Emmanuel die ons rondleidt, legt uit dat hier een verschil in
droge stof kan ontstaan. Hij laat uitlekken tot 32% droge stof,
sommige boeren gaan zelfs tot 39 of 40%. De wrongel wordt hier
niet gesneden maar in een trog gekneed. Vervolgens wordt de
massa met de hand uitgegoten in standaardmallen. Destijds, toen
de kaas nog van schapenmelk werd gemaakt, moeleerde men de
wrongel nog met een lepel. Terug naar het heden. De kaasjes
worden met fijn zout bestrooid en gedurende 2 dagen bewaard bij
een vochthalte van 95% en een temperatuur van 15°C. Daarna
worden ze naar de halloir gebracht waar ze minimaal
vier dagen onder een temperatuur van 12 °C met een vochthalte
van 98% kunnen rijpen. De kaasjes moeten in totaal zes dagen
gerijpt hebben om van het AOC predikaat te kunnen genieten. Maar
afhankelijk van de klantenwensen kan dat oplopen tot tien dagen.
Boer of artisanaal
Zoals gezegd zijn er twee geitenrassen toegestaan. Emmanuel,
terug op de land van zijn ouders, heeft gekozen voor de Alpine.
Volgens hem geeft die betere melk. In hetzelfde gebouw, maar
uiteraard goed afgeschermd, zien we de 160 dieren op stal staan.
In de Borie d’Imbert geeft een geit ongeveer 650 liter melk per
jaar. Dat is een veel lagere produktie dan die bij de boeren die
hun dieren speciale voedingsgranen geven. Emmanuel vindt echter
dat de natuur zijn eigen weg moet gaan. Zo ook mogen de geiten
zelf kiezen wanneer ze naar buiten gaan. En terug in de stal
mogen ze zelf kiezen waar, in welke lot en met welke bok ze
willen overnachten. Met 40 geiten en twee bokken per lot komen
er 25 tot 30 elke keer weer in dezelfde groep terug. Geiten
hebben nu eenmaal een groot familiegevoel en zijn verknocht aan
hun eigen bok. Op stal worden ze met verschillende soorten
foerage en granen gevoederd. Maar tijdens hun dagelijkse
wandeling in de vroege ochtend kunnen ze genieten van
rupsklaver, witte klaver, ray grass en van hun
lievelingssnoepje: de bladen van de wilde kornoelje, een boompje
dat specifiek op kalk groeit. Volgens de AOC voorschriften mogen
er niet meer dan 10 geiten per hectare rondlopen.
Een goede Rocamadour heeft een smaak van boter en hazelnoot en
een mooie crème onder de huid, die hier piaulage wordt
genoemd. De kaashuid moet gestreept zijn en het hart zacht. De
vorm moet mooi rond zijn. Het AOC degustatiecommité heeft in
totaal 20 punten te verdelen, waarvan 3 voor het uitzicht, 2
voor de geur, 5 voor de textuur et 10 punten voor de flaveur,
waarmee zowel de smaak, het aroma als de zoutbalans wordt
bedoeld. Een Rocamadour mag absoluut niet te bitter of te zuur
zijn. Hij moet tenminste 5 punten op 10 aan flaveur scoren en
heeft minimaal 10 punten op 20 nodig om de AOC te kunnen voeren.
Roacamadour telt momenteel 35 producenten die tezamen goed zijn
voor 700 ton kaas per jaar. Maar let op! Op het etiket staat
iets dat een groot verschil kan maken. Wanneer er fermier
op staat, betekent het dat de kaas is gemaakt op de boerderij.
De aanduiding artisanal wil zeggen dat de kaasmaker
zijn melk ergens anders koopt, dus misschien van multinationale
proporties kan zijn.
Authentieke authenticiteit
Na dit bezoek is onze hang naar authenticiteit alleen maar
groter geworden. Waar zijn de kleine boeren? Zijn ze bang van de
pers? Zullen we een zoektocht moeten houden in het regionale
oerwoud? Gelukkig woont er iemand in de buurt die ons kan
helpen: Ami Saisonnier Robert Besse, die u van de European Fine
Food Fair kent. Deze paus van de foie gras en patron-cuisinier
van restaurant Le Gabarrier te Allas-les-Mines in de Périgord
Noir, is onverbiddelijk als het om authenticiteit gaat. Zijn
kennis van de regio voert ons langs departementale wegen door
historische dorpen als Daglan, Saint- Pompon en
Saint-Laurent-la-Vallée om in een klein gehucht aan te komen:
Carves. Het landschap is adembenemend. Eiken en kastanjes
strijden met elkaar om de beste plekjes. Beekjes kabbelen zich
klaterend een weg. Een koppel buizerds laat zich hoog in de
lucht op de thermiek meevoeren, terwijl de eeuwige notenbomen
keurig in het gelid blijven staan, zoals het hen ooit is
opgedragen. Hier en daar slaat een oude kerkklok de noen, ten
teken dat de boeren zich naar hun
casse-croûte en
chabrol moeten begeven. Pronte kastelen demonstreren hun
waardigheid alsof ze een jonkvrouwe willen versieren. In dit
diepgroene openluchttheater, onder een prachtige zon, maken we
kennis met Martine en Françis Bortolin van de
Chèvrerie de
Montauban, producent van Cabecou du Périgord. Martine is
van origine Belgische en Françis is afkomstig van de Marmandais.
Toen ze hier in 1968 aankwamen, raakten ze op het prachtige
landschap verliefd. Ze kochten een boerderij van 22 hectares om
er aan hun eigen hemel op aarde te beginnen. Het kaasmaken
leerde Martine van een oude dame uit de regio. Stel Martine geen
ingewikkelde technische vragen, want ze antwoordt dan:
“Ik
maak kaas, zo simpel is het”. Hun kaasmakerij is wel aan
Europese normen aangepast, maar zonder een apocalyptische
omgeving waarin we het gevoel kunnen krijgen, een bacterie te
veel te zijn. Hier doet een oude kinderwagen dienst als intern
transportmiddel en hangen de kaasdoeken vrolijk in het zonnetje
te drogen.
L'un et l'autre
Vijftig geiten en één bok telt hun veestapel. Martine en Françis
kennen elke dier persoonlijk. Martine maakt kaas en Françis
zorgt voor de landbouw. Een eeuwenoud en logisch rollenspel.
Daarnaast bezoekt Françis diverse dorpsmarkten om de kaasjes aan
de man te brengen. De dieren leven hier in een walhallah en
eten, nee degusteren rupsklaver, gerst, haver en maïs. Maar ook
faiverolles (kleine bonen), want daar stelt Françis een eer in.
De geiten leven hun eigen leven, gaan naar binnen wanneer ze dat
willen en gaan naar buiten wanneer ze dat willen. Qua melk is
hier echt sprake van seizoensbinding. Van mei tot juni kan de
produktie oplopen tot 200 liter per dag, maar aan het einde van
het seizoen kan dat dalen tot 80 liter. De kaasproduktie begint
jaarlijks rond 15 februari en de eerste marktverkoop start eind
februari. Geen sprake van om een kaasje te verkopen dat jonger
dan zeven dagen is. Wat gebeurt er met de januari-melk? Die is
voor de lammetjes bestemd.
Voor het maken van deze Cabecou zien we weinig verschil met de
Rocamadour. Het mengen van de twee melken en het 24 uur
stremmen, dat is identiek. Het uitlekken gebeurt hier niet in
zakken maar door een doek. Het affineren gebeurt op 18°C maar
voor het vochthalte geldt
het voelen als enige
barometer. Dat de Cabecou du Périgord een eigen IGP ( beschermde
geografische herkostbenaming) heeft gekregen, is voor Françis
geen enkele garantie:
"Wanneer elke producent de essenties
van echte boerenkaas zou respecteren, was de appellation
overbodig. Diezelfde appellation kan voor sommigen een valse
baard worden om zich commercieel achter te verstoppen."
Volgens Martine en Françis is het vak heel zwaar en steeds meer
boeren kiezen voor iets anders. Helaas evolueert de wereld
steeds meer in de richting van halfindustriële kaasfabrieken.
Zal dit métier uitsterven? Het lijkt erop dat alleen de
gastronomische sector redding kan brengen. Want chefs zijn nog
vrijwel de enigen met een gevoel voor authentieke kwaliteit.